Minsk-conventie van 22 januari 1993

De lidstaten van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, partijen bij dit Verdrag, hierna te noemen de Overeenkomstsluitende Partijen,

uitgaande van het streven om aan de burgers van de Overeenkomstsluitende Partijen en aan personen die op hun grondgebied verblijven, in alle Overeenkomstsluitende Partijen met betrekking tot persoonlijke en vermogensrechten dezelfde rechtsbescherming te verlenen als aan hun eigen burgers,

groot belang hechtend aan de ontwikkeling van samenwerking op het gebied van het verlenen van rechtshulp door justitiële instanties in burgerlijke, familie- en strafzaken, zijn het volgende overeengekomen:

Afdeling I. ALGEMENE BEPALINGEN

Deel I. Rechtsbescherming

Artikel 1. Verlening van rechtsbescherming

1. Burgers van elk van de Overeenkomstsluitende Partijen, alsmede personen die op haar grondgebied verblijven, genieten op het grondgebied van alle andere Overeenkomstsluitende Partijen met betrekking tot hun persoonlijke en vermogensrechten dezelfde rechtsbescherming als de eigen burgers van die Overeenkomstsluitende Partij.

2. Burgers van elk van de Overeenkomstsluitende Partijen, alsmede andere personen die op haar grondgebied verblijven, hebben het recht zich vrij en onbelemmerd te wenden tot de rechtbanken, het openbaar ministerie, de organen van binnenlandse zaken en andere instellingen van andere Overeenkomstsluitende Partijen, tot wier bevoegdheid burgerlijke, familie- en strafzaken behoren (hierna te noemen justitiële instanties), kunnen daarin optreden, verzoekschriften indienen, rechtsvorderingen instellen en andere proceshandelingen verrichten onder dezelfde voorwaarden als de burgers van die Overeenkomstsluitende Partij.

3. De bepalingen van dit Verdrag zijn ook van toepassing op rechtspersonen die zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partijen.

Artikel 2. Vrijstelling van betaling van rechten en vergoeding van kosten

1. Burgers van elk van de Overeenkomstsluitende Partijen en personen die op haar grondgebied verblijven, worden vrijgesteld van betaling en vergoeding van gerechtelijke en notariële rechten en kosten, en genieten eveneens kosteloze rechtsbijstand onder dezelfde voorwaarden als de eigen burgers.

2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde voordelen zijn van toepassing op alle proceshandelingen die in deze zaak worden verricht, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van de beslissing.

Artikel 3. Overlegging van een document betreffende de gezinssituatie en vermogenspositie

1. De in artikel 2 bedoelde voordelen worden verleend op basis van een document betreffende de gezins- en vermogensrechtelijke situatie van de persoon die het verzoek indient. Dit document wordt afgegeven door de bevoegde instantie van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de verzoeker zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

2. Indien de verzoeker geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen, volstaat het een document over te leggen dat is afgegeven door de desbetreffende diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan hij onderdaan is.

3. De instantie die beslist over het verzoek tot verlening van voordelen, kan van de instantie die het document heeft afgegeven, aanvullende gegevens of de nodige toelichtingen verlangen.

Deel II. Rechtshulp

Artikel 4. Verlening van rechtshulp

1. De justitiële instanties van de Overeenkomstsluitende Partijen verlenen rechtshulp in burgerlijke, familie- en strafzaken overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

2. De justitiële instanties verlenen rechtshulp ook aan andere instanties in de in lid 1 van dit artikel bedoelde zaken.

Artikel 5. Wijze van communicatie

Bij de uitvoering van dit Verdrag communiceren de bevoegde justitiële instanties van de Overeenkomstsluitende Partijen met elkaar via hun centrale, territoriale en andere organen, tenzij in dit Verdrag een andere wijze van communicatie is bepaald. De Overeenkomstsluitende Partijen stellen de lijst vast van hun centrale, territoriale en andere organen die bevoegd zijn voor rechtstreekse communicatie, en stellen de depositaris hiervan in kennis.

Artikel 6. Omvang van de rechtshulp

De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar rechtshulp door het verrichten van proceshandelingen en andere handelingen voorzien in de wetgeving van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij, waaronder: het opstellen en verzenden van documenten, het uitvoeren van inspecties, huiszoekingen, inbeslagnames, het overdragen van materieel bewijs, het uitvoeren van deskundigenonderzoeken, het verhoren van partijen, derden, verdachten, beklaagden, slachtoffers, getuigen, deskundigen, het opsporen van personen, het uitvoeren van strafvervolging, het uitleveren van personen om hen strafrechtelijk aansprakelijk te stellen of een vonnis ten uitvoer te leggen, het erkennen en ten uitvoer leggen van rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken, vonnissen voor zover het de civiele vordering betreft, executoriale titels, alsmede door het betekenen van documenten.

Artikel 7. Inhoud en vorm van het verzoek om rechtshulp

1. In het verzoek om rechtshulp moeten worden vermeld:

a) de naam van de aangezochte instantie;

b) de naam van de verzoekende instantie;

c) de naam van de zaak waarvoor rechtshulp wordt verzocht;

d) de voor- en achternamen van partijen, getuigen, verdachten, beklaagden, gedaagden, veroordeelden of slachtoffers, hun woonplaats en verblijfplaats, nationaliteit, beroep, en in strafzaken ook plaats en datum van geboorte en, indien mogelijk, de voor- en achternamen van de ouders; voor rechtspersonen – hun naam, statutaire zetel en/of vestigingsplaats;

e) indien er vertegenwoordigers zijn van de in punt “d” bedoelde personen, hun voor- en achternamen en adressen;

f) de inhoud van het verzoek, alsmede andere gegevens die nodig zijn voor de uitvoering ervan;

g) in strafzaken ook een beschrijving en kwalificatie van het gepleegde feit en gegevens over de omvang van de schade, indien deze als gevolg van het feit is veroorzaakt.

2. In het verzoek tot betekening van een document moeten ook het exacte adres van de geadresseerde en de naam van het te betekenen document worden vermeld.

3. Het verzoek moet worden ondertekend en voorzien van het stempel met het rijkswapen van de aangezochte instantie.

Artikel 8. Wijze van uitvoering

1. Bij de uitvoering van een opdracht tot rechtshulp past de aangezochte instantie de wetgeving van haar eigen land toe. Op verzoek van de verzoekende instantie kan zij ook de procedurele normen van de verzoekende Verdragsluitende Partij toepassen, mits deze niet in strijd zijn met de wetgeving van de aangezochte Verdragsluitende Partij.

2. Indien de aangezochte instantie niet bevoegd is de opdracht uit te voeren, stuurt zij deze door naar de bevoegde instantie en stelt de verzoekende instantie hiervan in kennis.

3. Op verzoek van de verzoekende instantie stelt de aangezochte instantie haar en de belanghebbende partijen tijdig op de hoogte van het tijdstip en de plaats van uitvoering van de opdracht, zodat zij overeenkomstig de wetgeving van de aangezochte Verdragsluitende Partij bij de uitvoering van de opdracht aanwezig kunnen zijn.

4. Indien het exacte adres van de in de opdracht genoemde persoon onbekend is, neemt de aangezochte instantie overeenkomstig de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied zij zich bevindt, de nodige maatregelen om het adres vast te stellen.

5. Na uitvoering van de opdracht retourneert de aangezochte instantie de documenten aan de verzoekende instantie; indien rechtshulp niet kon worden verleend, stelt zij tegelijkertijd de verzoekende instantie in kennis van de omstandigheden die de uitvoering van de opdracht verhinderen en retourneert zij de documenten aan de verzoekende instantie.

Artikel 9. Overbrenging van getuigen, slachtoffers, civielrechtelijke gedaagden, hun vertegenwoordigers, deskundigen

1. Een getuige, slachtoffer, civielrechtelijke eiser, civielrechtelijke gedaagde en hun vertegenwoordiger, alsmede een deskundige die, op een door de instantie van de aangezochte Verdragsluitende Partij betekende oproeping, verschijnt bij de justitiële instantie van de verzoekende Verdragsluitende Partij, kan, ongeacht zijn nationaliteit, op haar grondgebied niet strafrechtelijk of bestuursrechtelijk worden vervolgd, in hechtenis worden genomen of worden bestraft voor een handeling die vóór het overschrijden van haar staatsgrens is begaan. Deze personen kunnen evenmin worden vervolgd, in hechtenis worden genomen of worden bestraft in verband met hun getuigenverklaringen of conclusies als deskundige in verband met de strafzaak die het onderwerp van de procedure is.

2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde personen verliezen de in dat lid voorziene garantie, indien zij het grondgebied van de verzoekende Verdragsluitende Partij niet verlaten, hoewel zij daartoe de mogelijkheid hebben binnen 15 dagen nadat de justitiële autoriteit die hen heeft ondervraagd, hun heeft meegedeeld dat hun aanwezigheid niet langer nodig is. In deze termijn wordt niet meegerekend de tijd gedurende welke deze personen niet door eigen toedoen het grondgebied van de verzoekende Verdragsluitende Partij niet konden verlaten.

3. Aan een getuige, deskundige, alsook aan het slachtoffer en zijn wettelijke vertegenwoordiger worden door de verzoekende Verdragsluitende Partij de kosten vergoed die verband houden met de reis en het verblijf in de verzoekende staat, evenals de gederfde inkomsten voor de dagen dat zij niet konden werken; de deskundige heeft ook recht op een vergoeding voor het uitvoeren van het deskundigenonderzoek. In de oproeping moet worden vermeld welke betalingen de opgeroepen personen kunnen ontvangen; op hun verzoek betaalt de justitiële autoriteit van de verzoekende Verdragsluitende Partij een voorschot ter dekking van de desbetreffende kosten.

4. De oproeping van de in lid 1 van dit artikel bedoelde personen die op het grondgebied van de ene Verdragsluitende Partij verblijven, voor een justitiële autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij mag geen dreiging met dwangmiddelen bevatten in geval van niet-verschijning.

Artikel 10. Verzoek tot betekening van documenten

1. De aangezochte justitiële autoriteit verricht de betekening van documenten overeenkomstig de in haar staat geldende procedure, indien de te betekenen documenten zijn gesteld in haar taal of in het Russisch, dan wel vergezeld gaan van een vertaling in deze talen. In het andere geval overhandigt zij de documenten aan de geadresseerde, indien deze ermee instemt deze vrijwillig in ontvangst te nemen.

2. Indien documenten niet kunnen worden betekend op het in het verzoek vermelde adres, neemt de aangezochte justitiële autoriteit uit eigen beweging de nodige maatregelen om het adres vast te stellen. Indien het vaststellen van het adres door de aangezochte justitiële autoriteit onmogelijk blijkt, stelt zij de verzoekende autoriteit hiervan in kennis en retourneert zij de te betekenen documenten.

Artikel 11. Bevestiging van betekening van documenten

De overhandiging van documenten wordt bevestigd door een ontvangstbevestiging, ondertekend door de persoon aan wie het document is overhandigd, voorzien van het officiële stempel van de verzoekende instelling, en met vermelding van de datum van overhandiging en de handtekening van de medewerker van de instelling die het document overhandigt, of door een ander door deze instelling afgegeven document, waarin de wijze, plaats en tijd van overhandiging moeten worden vermeld.

Artikel 12. Bevoegdheden van diplomatieke vertegenwoordigingen en consulaire posten

1. De Overeenkomstsluitende Partijen hebben het recht om documenten aan hun eigen burgers te overhandigen via hun diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten.

2. De Overeenkomstsluitende Partijen hebben het recht om, in opdracht van hun bevoegde autoriteiten, hun eigen burgers te verhoren via hun diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten.

3. In de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde gevallen mogen geen dwangmiddelen of de dreiging daarmee worden toegepast.

Artikel 13. Geldigheid van documenten

1. Documenten die op het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende Partijen zijn opgemaakt of gewaarmerkt door een instelling of een daartoe speciaal gemachtigd persoon, binnen hun bevoegdheden en volgens de vastgestelde vorm, en voorzien van een stempel met het rijkswapen, worden op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partijen aanvaard zonder enige bijzondere legalisatie.

2. Documenten die op het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende Partijen als officiële documenten worden beschouwd, hebben op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partijen de bewijskracht van officiële documenten.

Artikel 14. Toezending van burgerlijke stand documenten en andere documenten

1. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe elkaar op verzoek, zonder vertaling en kosteloos, akten van de burgerlijke stand rechtstreeks toe te zenden via de instanties voor de burgerlijke stand van de Overeenkomstsluitende Partijen, met kennisgeving aan de burgers over de toezending van de documenten.

2. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe elkaar op verzoek, zonder vertaling en kosteloos, documenten betreffende opleiding, arbeidsverleden en andere documenten met betrekking tot persoonlijke of vermogensrechtelijke belangen van burgers van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij en andere personen die op haar grondgebied verblijven, toe te zenden.

Artikel 15. Informatie over juridische kwesties

De centrale justitiële autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen verstrekken elkaar op verzoek informatie over de interne wetgeving die op hun grondgebied van kracht is of van kracht was, en over de praktijk van de toepassing ervan door de justitiële autoriteiten.

Artikel 16. Vaststelling van adressen en andere gegevens

1. De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar op verzoek, overeenkomstig hun eigen wetgeving, bijstand bij het vaststellen van de adressen van personen die op hun grondgebied verblijven, indien dit nodig is voor de uitoefening van de rechten van hun burgers. De verzoekende Overeenkomstsluitende Partij deelt daarbij de gegevens mee waarover zij beschikt om het adres van de in het verzoek genoemde persoon te bepalen.

2. De justitiële autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand bij het vaststellen van de werkplek en het inkomen van personen die op het grondgebied van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij verblijven, tegen wie bij de justitiële autoriteiten van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij vermogensrechtelijke vorderingen zijn ingesteld in burgerlijke, familie- en strafzaken.

Artikel 17. Taal

In hun onderlinge betrekkingen bij de uitvoering van dit Verdrag gebruiken de justitiële autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen de officiële talen van de Overeenkomstsluitende Partijen of de Russische taal. Indien documenten worden opgesteld in de officiële talen van de Overeenkomstsluitende Partijen, worden daaraan gewaarmerkte vertalingen in het Russisch toegevoegd.

Artikel 18. Kosten in verband met het verlenen van rechtshulp

De aangezochte Overeenkomstsluitende Partij zal geen vergoeding eisen van de kosten voor het verlenen van rechtshulp. De Overeenkomstsluitende Partijen dragen zelf alle kosten die zijn ontstaan bij het verlenen van rechtshulp op hun grondgebied.

Artikel 19. Weigering van rechtshulp

Een verzoek om rechtshulp kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien het verlenen van dergelijke hulp de soevereiniteit of veiligheid zou kunnen schaden of in strijd is met de wetgeving van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij. In geval van weigering van het verzoek om rechtshulp wordt de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij onverwijld op de hoogte gesteld van de redenen voor de weigering.

Afdeling II. RECHTSBETREKKINGEN IN BURGERLIJKE EN FAMILIEZAKEN

Deel I. Bevoegdheid

Artikel 20. Algemene bepalingen

1. Tenzij in de delen II-V van deze afdeling anders is bepaald, worden vorderingen tegen personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een van de Overeenkomstsluitende Partijen, ongeacht hun nationaliteit, ingesteld bij de gerechten van die Overeenkomstsluitende Partij, en worden vorderingen tegen rechtspersonen ingesteld bij de gerechten van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied het bestuursorgaan van de rechtspersoon, haar vertegenwoordiging of filiaal zich bevindt.

Indien bij de zaak meerdere gedaagden betrokken zijn die hun woonplaats (vestigingsplaats) hebben op het grondgebied van verschillende Overeenkomstsluitende Partijen, wordt het geschil behandeld ter woonplaats (vestigingsplaats) van elke gedaagde naar keuze van de eiser.

2. De gerechten van een Overeenkomstsluitende Partij zijn ook bevoegd in gevallen waarin op haar grondgebied:

a) handel, industriële of andere economische activiteiten worden uitgeoefend door de onderneming (het filiaal) van de gedaagde;

b) de verplichting uit de overeenkomst die het voorwerp van het geschil vormt, geheel of gedeeltelijk is of moet worden nagekomen;

c) de eiser zijn vaste woonplaats of vestigingsplaats heeft in een vordering ter bescherming van eer, waardigheid en zakelijke reputatie.

3. In vorderingen betreffende het eigendomsrecht en andere zakelijke rechten op onroerende goederen zijn uitsluitend de gerechten ter plaatse van de ligging van de goederen bevoegd.

Vorderingen tegen vervoerders, voortvloeiend uit de overeenkomst voor het vervoer van goederen, passagiers en bagage, worden ingesteld ter plaatse van de vestiging van de vervoersorganisatie waarbij op de voorgeschreven wijze een claim is ingediend.

Artikel 21. Contractuele rechtsmacht

1. De gerechten van de Overeenkomstsluitende Partijen kunnen zaken ook in andere gevallen behandelen, indien er een schriftelijke overeenkomst tussen de partijen bestaat om het geschil aan deze gerechten voor te leggen.

Hierbij kan de exclusieve bevoegdheid, voortvloeiend uit lid 3 van artikel 20 en andere normen vastgesteld in de delen II-V van deze afdeling, alsmede uit de interne wetgeving van de desbetreffende Overeenkomstsluitende Partij, niet worden gewijzigd door een overeenkomst van de partijen.

2. Bij het bestaan van een overeenkomst tot voorlegging van het geschil, staakt het gerecht op verzoek van de gedaagde de procedure in de zaak.

Artikel 22. Samenhang van gerechtelijke procedures

1. In geval van aanhangig making van een procedure tussen dezelfde partijen, over hetzelfde onderwerp en op dezelfde gronden bij de gerechten van twee Overeenkomstsluitende Partijen, staakt het gerecht dat de procedure later aanhangig heeft gemaakt, de procedure.

2. Een tegenvordering en een verzoek tot verrekening, voortvloeiend uit dezelfde rechtsverhouding als de hoofdvordering, worden behandeld door het gerecht dat de hoofdvordering behandelt.

Artikel 22-1. Verzoek om deelname van de officier van justitie in een civiele procedure

De officier van justitie van een van de Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht zich tot de officier van justitie van de andere Overeenkomstsluitende Partij te wenden met een verzoek tot het aanhangig maken bij de rechter van een zaak ter bescherming van de rechten en wettelijke belangen van burgers van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij, tot het deelnemen aan de behandeling van dergelijke zaken of tot het indienen bij een gerecht van een hogere instantie van een cassatie- of bijzonder protest, alsmede van een protest in het kader van toezicht tegen rechterlijke beslissingen in dergelijke zaken.

Deel II. Persoonlijke status

Artikel 23. Rechtsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid

1. De handelingsbekwaamheid van een natuurlijk persoon wordt bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan deze persoon onderdaan is.

2. De handelingsbekwaamheid van een staatloze wordt bepaald door het recht van het land waar hij zijn vaste verblijfplaats heeft.

3. De rechtsbevoegdheid van een rechtspersoon wordt bepaald door de wetgeving van de staat volgens de wetten waarvan hij is opgericht.

Artikel 24. Erkenning als beperkt handelingsbekwaam of handelingsonbekwaam. Herstel van handelingsbekwaamheid

1. In zaken betreffende de erkenning van een persoon als beperkt handelingsbekwaam of handelingsonbekwaam, behoudens de in de leden 2 en 3 van dit artikel voorziene gevallen, is het gerecht van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan deze persoon onderdaan is, bevoegd.

2. Indien het gerecht van een Overeenkomstsluitende Partij kennis krijgt van gronden voor erkenning als beperkt handelingsbekwaam of handelingsonbekwaam van een op zijn grondgebied verblijvende persoon die onderdaan is van een andere Overeenkomstsluitende Partij, stelt het het gerecht van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan deze persoon onderdaan is, hiervan in kennis.

3. Indien de rechtbank van een Verdragsluitende Partij, die in kennis is gesteld van de gronden voor de erkenning van beperkte handelingsbekwaamheid of handelingsonbekwaamheid, binnen drie maanden geen zaak aanhangig maakt of zijn mening niet meedeelt, wordt de zaak betreffende de erkenning van beperkte handelingsbekwaamheid of handelingsonbekwaamheid behandeld door de rechtbank van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied deze burger zijn woonplaats heeft. De beslissing over de erkenning van een persoon als beperkt handelingsbekwaam of handelingsonbekwaam wordt toegezonden aan de bevoegde rechtbank van de Verdragsluitende Partij waarvan deze persoon burger is.

4. De bepalingen van de leden 1-3 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op het herstel van de handelingsbekwaamheid.

Artikel 25. Verklaring van vermissing en overlijdensverklaring. Vaststelling van overlijden

1. In zaken betreffende de verklaring van vermissing of overlijdensverklaring van een persoon en in zaken betreffende de vaststelling van het overlijden zijn de gerechtelijke instanties van de Verdragsluitende Partij bevoegd waarvan de persoon burger was op het moment dat hij volgens de laatste gegevens nog in leven was, en voor andere personen – de gerechtelijke instanties van de laatste woonplaats.

2. De gerechtelijke instanties van elk van de Verdragsluitende Partijen kunnen een burger van een andere Verdragsluitende Partij en een andere persoon die op haar grondgebied woont, als vermist of overleden verklaren, en ook zijn overlijden vaststellen op verzoek van op haar grondgebied wonende belanghebbenden wier rechten en belangen zijn gebaseerd op de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij.

3. Bij de behandeling van zaken betreffende de verklaring van vermissing of overlijdensverklaring en zaken betreffende de vaststelling van het overlijden passen de gerechtelijke instanties van de Verdragsluitende Partijen de wetgeving van hun eigen staat toe.

Deel III. Familierechtelijke zaken

Artikel 26. Het sluiten van een huwelijk

De voorwaarden voor het sluiten van een huwelijk worden voor elk van de toekomstige echtgenoten bepaald door de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waarvan hij burger is, en voor staatlozen door de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die hun vaste verblijfplaats is. Bovendien moeten met betrekking tot beletselen voor het huwelijk de vereisten van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied het huwelijk wordt gesloten, in acht worden genomen.

Artikel 27. Rechtsbetrekkingen tussen echtgenoten

1. De persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen tussen echtgenoten worden bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied zij hun gemeenschappelijke woonplaats hebben.

2. Indien een van de echtgenoten op het grondgebied van een Overeenkomstsluitende Partij woont en beide echtgenoten dezelfde nationaliteit hebben, worden hun persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan zij onderdaan zijn.

3. Indien een van de echtgenoten onderdaan is van de ene Overeenkomstsluitende Partij en de andere van de andere Overeenkomstsluitende Partij, en een van hen woont op het grondgebied van de ene, en de andere op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, dan worden hun persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied zij hun laatste gemeenschappelijke woonplaats hadden.

4. Indien de in lid 3 van dit artikel bedoelde personen geen gemeenschappelijke woonplaats hebben gehad op de grondgebieden van de Overeenkomstsluitende Partijen, wordt de wetgeving toegepast van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de instantie de zaak behandelt.

5. De rechtsbetrekkingen tussen echtgenoten met betrekking tot hun onroerende goederen worden bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied deze goederen zich bevinden.

6. In zaken betreffende persoonlijke en vermogensrechtelijke betrekkingen tussen echtgenoten zijn de justitiële instanties van de Overeenkomstsluitende Partij bevoegd waarvan de wetgeving overeenkomstig de leden 1-3, 5 van dit artikel moet worden toegepast.

Artikel 28. Ontbinding van het huwelijk

1. In zaken betreffende de ontbinding van het huwelijk wordt de wetgeving toegepast van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de echtgenoten onderdaan zijn op het moment van indiening van het verzoek.

2. Indien een van de echtgenoten onderdaan is van de ene Overeenkomstsluitende Partij en de andere van de andere Overeenkomstsluitende Partij, wordt de wetgeving toegepast van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de instantie de zaak betreffende de ontbinding van het huwelijk behandelt.

Artikel 29. Bevoegdheid van de instanties van de Overeenkomstsluitende Partijen

1. Inzake echtscheidingszaken in het geval bedoeld in lid 1 van artikel 28 zijn de instanties van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de echtgenoten op het moment van indiening van het verzoek onderdaan zijn, bevoegd. Indien op het moment van indiening van het verzoek beide echtgenoten op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij verblijven, zijn ook de instanties van deze Overeenkomstsluitende Partij bevoegd.

2. Inzake echtscheidingszaken in het geval bedoeld in lid 2 van artikel 28 zijn de instanties van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied beide echtgenoten verblijven, bevoegd. Indien een van de echtgenoten op het grondgebied van de ene Overeenkomstsluitende Partij verblijft en de andere op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij, zijn inzake echtscheidingszaken de instanties van beide Overeenkomstsluitende Partijen op wiens grondgebied de echtgenoten verblijven, bevoegd.

Artikel 30. Nietigverklaring van het huwelijk

1. Inzake zaken betreffende de nietigverklaring van het huwelijk wordt de wetgeving toegepast van de Overeenkomstsluitende Partij die overeenkomstig artikel 26 bij het sluiten van het huwelijk werd toegepast.

2. De bevoegdheid van de instantie inzake zaken betreffende de nietigverklaring van het huwelijk wordt bepaald overeenkomstig artikel 27.

Artikel 31. Vaststelling en betwisting van vaderschap of moederschap

De vaststelling en betwisting van vaderschap of moederschap wordt bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan het kind bij de geboorte onderdaan is.

Artikel 32. Rechtsbetrekkingen tussen ouders en kinderen

1. De rechten en plichten van ouders en kinderen, met inbegrip van de onderhoudsverplichtingen van ouders jegens kinderen, worden bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied zij hun permanente gemeenschappelijke verblijfplaats hebben, en bij het ontbreken van een permanente gemeenschappelijke verblijfplaats van ouders en kinderen worden hun wederzijdse rechten en plichten bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan het kind onderdaan is.

Op verzoek van de eiser inzake onderhoudsverplichtingen wordt de wetgeving toegepast van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied het kind permanent verblijft.

2. Onderhoudsverplichtingen van meerderjarige kinderen ten behoeve van ouders, evenals onderhoudsverplichtingen van andere gezinsleden, worden bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied zij hun gezamenlijke verblijfplaats hadden. Bij afwezigheid van een gezamenlijke verblijfplaats worden dergelijke verplichtingen bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de eiser onderdaan is.

3. In zaken betreffende rechtsverhoudingen tussen ouders en kinderen is de rechtbank van de Overeenkomstsluitende Partij bevoegd waarvan de wetgeving overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel moet worden toegepast.

4. De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in zaken met betrekking tot de opvoeding van kinderen geschiedt op de wijze vastgesteld door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied het kind verblijft.

5. De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen elkaar bijstand bij het opsporen van de gedaagde in zaken betreffende de invordering van alimentatie, wanneer er grond is om aan te nemen dat de gedaagde zich op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij bevindt en de rechtbank een beschikking heeft gegeven tot het uitschrijven van een opsporingsbevel.

Artikel 33. Voogdij en curatele

1. De instelling of opheffing van voogdij en curatele geschiedt volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de persoon, ten aanzien van wie de voogdij en curatele wordt ingesteld, onderdaan is.

2. De rechtsverhoudingen tussen de voogd en curator en de persoon die onder voogdij en curatele staat, worden geregeld door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de instelling de voogd of curator heeft benoemd.

3. De verplichting om voogdij of curatele te aanvaarden wordt vastgesteld door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de persoon die tot voogd of curator wordt benoemd, onderdaan is.

4. Tot voogd of curator van een persoon die onderdaan is van de ene Overeenkomstsluitende Partij kan een onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij worden benoemd, indien hij verblijft op het grondgebied van de Partij waar de voogdij of curatele zal worden uitgeoefend.

Artikel 34. Bevoegdheid van de instellingen van de Overeenkomstsluitende Partijen inzake voogdij en curatele

Voor zaken betreffende het instellen of opheffen van voogdij en curatele zijn de instellingen van de Overeenkomstsluitende Partij bevoegd waarvan de persoon, voor wie de voogdij of curatele wordt ingesteld of opgeheven, onderdaan is, tenzij in dit Verdrag anders is bepaald.

Artikel 35. Procedure voor het nemen van maatregelen inzake voogdij en curatele

1. Indien het noodzakelijk is maatregelen inzake voogdij en curatele te nemen in het belang van een onderdaan van een Overeenkomstsluitende Partij, wiens vaste woonplaats, verblijfplaats of vermogen zich op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij bevindt, stelt de instelling van deze Overeenkomstsluitende Partij onverwijld de instelling in kennis die overeenkomstig artikel 34 bevoegd is.

2. In spoedeisende gevallen kan de instelling van de andere Overeenkomstsluitende Partij de nodige maatregelen nemen overeenkomstig haar eigen wetgeving. Zij is daarbij verplicht de instelling die overeenkomstig artikel 34 bevoegd is, hiervan onverwijld in kennis te stellen. Deze maatregelen blijven van kracht totdat de in artikel 34 bedoelde instelling een andere beslissing heeft genomen.

Artikel 36. Procedure voor de overdracht van voogdij of curatele

1. De overeenkomstig artikel 34 bevoegde instelling kan de voogdij of curatele overdragen aan de instelling van een andere Overeenkomstsluitende Partij, indien de persoon die onder voogdij of curatele staat, op het grondgebied van deze Overeenkomstsluitende Partij zijn woonplaats, verblijfplaats of vermogen heeft. De overdracht van de voogdij of curatele wordt van kracht op het moment dat de aangezochte instelling de voogdij of curatele aanvaardt en de verzoekende instelling hiervan in kennis stelt.

2. De instelling die overeenkomstig lid 1 van dit artikel de voogdij en curatele heeft aanvaard, oefent deze uit overeenkomstig de wetgeving van haar eigen staat.

Artikel 37. Adoptie

1. Adoptie of de opheffing ervan wordt bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de adoptant op het moment van indiening van het verzoek tot adoptie of opheffing ervan onderdaan is.

2. Indien het kind onderdaan is van de andere Overeenkomstsluitende Partij, is voor adoptie of de herroeping ervan de toestemming vereist van de wettelijke vertegenwoordiger en de bevoegde overheidsinstantie, alsmede de toestemming van het kind, indien dit vereist is volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan het kind onderdaan is.

3. Indien het kind wordt geadopteerd door echtgenoten, van wie de ene onderdaan is van de ene Overeenkomstsluitende Partij en de andere onderdaan van de andere Overeenkomstsluitende Partij, moet de adoptie of de herroeping ervan plaatsvinden overeenkomstig de voorwaarden die zijn voorzien in de wetgeving van beide Overeenkomstsluitende Partijen.

4. Inzake adoptie of de herroeping ervan is de instantie van de Overeenkomstsluitende Partij bevoegd waarvan de adoptant onderdaan is op het moment van indiening van het verzoek tot adoptie of de herroeping ervan, en in het geval bedoeld in lid 3 van dit artikel is de instantie bevoegd van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de echtgenoten hun laatste gezamenlijke woon- of verblijfplaats hebben of hadden.

Deel IV. Vermogensrechtelijke verhoudingen

Artikel 38. Eigendomsrecht

1. Het eigendomsrecht op onroerende zaken wordt bepaald volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de onroerende zaak zich bevindt. De vraag welke zaak als onroerend wordt beschouwd, wordt beslist overeenkomstig de wetgeving van het land op wiens grondgebied deze zaak zich bevindt.

2. Het eigendomsrecht op motorvoertuigen die in openbare registers moeten worden ingeschreven, wordt bepaald volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de instantie is gevestigd die de registratie van het motorvoertuig heeft verricht.

3. Het ontstaan en de beëindiging van het eigendomsrecht of een ander zakelijk recht op een zaak wordt bepaald volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de zaak zich bevond op het moment dat de handeling of andere omstandigheid plaatsvond die de grondslag vormde voor het ontstaan of de beëindiging van een dergelijk recht.

4. Het ontstaan en de beëindiging van het eigendomsrecht of een ander zakelijk recht op vermogen dat het voorwerp van de transactie is, wordt bepaald volgens de wetgeving van de plaats waar de transactie wordt verricht, tenzij anders is bepaald in de overeenkomst van de Partijen.

Artikel 39. Vorm van de transactie

1. De vorm van de transactie wordt bepaald volgens de wetgeving van de plaats van haar verblijf.

2. De vorm van een transactie met betrekking tot onroerend vermogen en rechten daarop wordt bepaald volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied dergelijk vermogen zich bevindt.

Artikel 40. Volmacht

De vorm en de geldigheidsduur van de volmacht worden bepaald volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied dergelijk vermogen zich bevindt.

Artikel 41. Rechten en verplichtingen van partijen bij een transactie

De rechten en verplichtingen van partijen bij een transactie worden bepaald volgens de wetgeving van de plaats van haar verrichting, tenzij anders is bepaald in de overeenkomst van de partijen.

Artikel 42. Schadevergoeding

1. Verplichtingen tot schadevergoeding, behalve die voortvloeiend uit overeenkomsten en andere rechtmatige handelingen, worden bepaald volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de handeling of andere omstandigheid heeft plaatsgevonden die als grondslag diende voor de vordering tot schadevergoeding.

2. Indien de veroorzaker van de schade en het slachtoffer burgers zijn van dezelfde Overeenkomstsluitende Partij, wordt de wetgeving van deze Overeenkomstsluitende Partij toegepast.

3. In zaken bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel is de rechtbank van de Overeenkomstsluitende Partij bevoegd op wiens grondgebied de handeling of andere omstandigheid heeft plaatsgevonden die als grondslag diende voor de vordering tot schadevergoeding. Het slachtoffer kan de vordering ook indienen bij de rechtbank van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de gedaagde zijn woonplaats heeft.

Artikel 43. Procesvoering

Vragen van procesvoering worden beslecht volgens de wetgeving die wordt toegepast voor de regeling van de desbetreffende rechtsverhouding.

Deel V. Erfrecht

Artikel 44. Gelijkheidsbeginsel

Burgers van elk van de Overeenkomstsluitende Partijen kunnen op de grondgebieden van andere Overeenkomstsluitende Partijen vermogen of rechten erven volgens de wet of bij testament onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde omvang als de burgers van deze Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 45. Erfrecht

1. Het erfrecht met betrekking tot goederen, behalve in het geval bedoeld in lid 2 van dit artikel, wordt bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied de erflater zijn laatste vaste verblijfplaats had.

2. Het erfrecht met betrekking tot onroerende goederen wordt bepaald door de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied deze goederen zich bevinden.

Artikel 46. Overgang van de nalatenschap naar de staat

Indien volgens de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partij die van toepassing is op de erfopvolging, de staat de erfgenaam is, dan gaan de roerende erfgoederen over naar de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de erflater op het moment van overlijden onderdaan was, en gaan de onroerende erfgoederen over naar de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied zij zich bevinden.

Artikel 47. Testament

De bekwaamheid van een persoon om een testament op te maken en in te trekken, alsmede de vorm van het testament en de intrekking ervan, worden bepaald door het recht van het land waar de erflater zijn verblijfplaats had op het moment van het opmaken van de akte. Een testament of de intrekking ervan kan echter niet nietig worden verklaard wegens niet-naleving van de vorm, indien deze voldoet aan de vereisten van het recht van de plaats van opmaking.

Artikel 48. Bevoegdheid in erfrechtelijke zaken

1. Voor de behandeling van erfrechtelijke zaken met betrekking tot roerende goederen zijn de instanties van de Overeenkomstsluitende Partij bevoegd op wiens grondgebied de erflater op het moment van zijn overlijden zijn verblijfplaats had.

2. Voor de behandeling van erfrechtelijke zaken met betrekking tot onroerende goederen zijn de instanties van de Overeenkomstsluitende Partij bevoegd op wiens grondgebied de goederen zich bevinden.

3. De bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel zijn ook van toepassing bij de behandeling van geschillen die voortvloeien uit de behandeling van erfrechtelijke zaken.

Artikel 49. Bevoegdheid van de diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire post in erfrechtelijke zaken

In erfrechtelijke zaken, met inbegrip van erfgeschillen, zijn de diplomatieke vertegenwoordigingen of consulaire posten van elk van de Overeenkomstsluitende Partijen bevoegd om (met uitzondering van het recht om de erfenis te verwerpen) zonder speciale volmacht de burgers van hun staat te vertegenwoordigen bij de instanties van de andere Overeenkomstsluitende Partijen, indien zij afwezig zijn of geen vertegenwoordiger hebben aangewezen.

Artikel 50. Maatregelen ter bewaring van de nalatenschap

1. De instanties van de Overeenkomstsluitende Partijen nemen overeenkomstig hun eigen wetgeving de nodige maatregelen voor de bewaring van de nalatenschap die op hun grondgebied is achtergelaten door burgers van andere Overeenkomstsluitende Partijen, of voor het beheer daarvan.

2. Over de overeenkomstig lid 1 van dit artikel genomen maatregelen wordt onverwijld de diplomatieke vertegenwoordiging of de consulaire post van de Overeenkomstsluitende Partij waarvan de erflater burger is, in kennis gesteld. De genoemde vertegenwoordiging of post kan deelnemen aan de uitvoering van deze maatregelen.

3. Op verzoek van de justitiële instantie die bevoegd is de erfprocedure te voeren, alsmede van de diplomatieke vertegenwoordiging of de consulaire post, kunnen de overeenkomstig lid 1 van dit artikel genomen maatregelen worden gewijzigd, opgeheven of uitgesteld.

Afdeling III. ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN

Artikel 51. Erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen

Elk van de Overeenkomstsluitende Partijen erkent en voert, onder de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden, de volgende beslissingen uit die op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partijen zijn genomen:

a) beslissingen van justitiële instanties in burgerlijke en familiezaken, met inbegrip van door de rechtbank vastgestelde schikkingen in dergelijke zaken en notariële akten met betrekking tot geldelijke verplichtingen (hierna: beslissingen);

b) beslissingen van strafrechtelijke rechtbanken betreffende schadevergoeding.

Artikel 52. Erkenning van beslissingen die geen tenuitvoerlegging vereisen

1. Beslissingen die door de justitiële instanties van elk van de Overeenkomstsluitende Partijen zijn genomen en in kracht van gewijsde zijn gegaan, en die naar hun aard geen tenuitvoerlegging vereisen, worden op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partijen erkend zonder een bijzondere procedure, op voorwaarde dat:

a) de gerechtelijke instanties van de aangezochte Verdragsluitende Partij hebben niet eerder in deze zaak een in kracht van gewijsde gegane beslissing genomen;

b) de zaak behoort volgens dit Verdrag, en in gevallen die niet door dit Verdrag worden geregeld, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied de beslissing moet worden erkend, niet tot de exclusieve bevoegdheid van de gerechtelijke instanties van deze Verdragsluitende Partij.

2. De bepalingen van lid 1 van dit artikel zijn ook van toepassing op beslissingen inzake voogdij en curatele, alsmede op beslissingen over echtscheiding, genomen door instanties die bevoegd zijn volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied de beslissing is genomen.

Artikel 53. Verzoek om toestemming voor gedwongen tenuitvoerlegging van een beslissing

1. Een verzoek om toestemming voor gedwongen tenuitvoerlegging van een beslissing wordt ingediend bij de bevoegde rechter van de Verdragsluitende Partij waar de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. Het kan ook worden ingediend bij de rechter die de beslissing in eerste aanleg heeft genomen. Deze rechter stuurt het verzoek door naar de rechter die bevoegd is om over het verzoek te beslissen.

2. Bij het verzoek worden gevoegd:

a) de beslissing of een gewaarmerkt afschrift daarvan, alsmede een officieel document waaruit blijkt dat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan en voor tenuitvoerlegging vatbaar is, of dat zij voor tenuitvoerlegging vatbaar is voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan, indien dit niet uit de beslissing zelf blijkt;

b) een document waaruit blijkt dat de partij tegen wie de beslissing is genomen, die niet aan de procedure heeft deelgenomen, op de juiste wijze en tijdig voor de rechter is opgeroepen, en in geval van haar procesonbekwaamheid naar behoren is vertegenwoordigd;

c) een document dat de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de beslissing op het moment van toezending bevestigt;

d) een document dat de overeenkomst van de partijen bevestigt, in zaken van contractuele rechtsmacht.

3. Het verzoek om toestemming voor gedwongen tenuitvoerlegging van de beslissing en de daarbij gevoegde documenten worden voorzien van een gewaarmerkte vertaling in de taal van de aangezochte Verdragsluitende Partij of in de Russische taal.

Artikel 54. Procedure voor erkenning en gedwongen tenuitvoerlegging van beslissingen

1. Verzoeken tot erkenning en verlof tot tenuitvoerlegging van de in artikel 51 bedoelde beslissingen worden behandeld door de gerechten van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de gedwongen tenuitvoerlegging moet plaatsvinden.

2. De rechter die het verzoek tot erkenning en verlof tot gedwongen tenuitvoerlegging van een beslissing behandelt, beperkt zich tot het vaststellen dat aan de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden is voldaan. Indien aan de voorwaarden is voldaan, geeft de rechter een beslissing tot gedwongen tenuitvoerlegging.

3. De procedure voor gedwongen tenuitvoerlegging wordt bepaald door de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de gedwongen tenuitvoerlegging moet plaatsvinden.

Artikel 55. Weigering van erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen

De erkenning van de in artikel 52 bedoelde beslissingen en de afgifte van verlof tot gedwongen tenuitvoerlegging kunnen worden geweigerd in de volgende gevallen:

a) indien de beslissing, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij is gegeven, nog niet in kracht van gewijsde is gegaan of niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is, behalve in gevallen waarin de beslissing voor tenuitvoerlegging vatbaar is voordat zij in kracht van gewijsde is gegaan;

b) indien de verweerder niet aan het proces heeft deelgenomen omdat hem of zijn gemachtigde de dagvaarding niet tijdig en op de juiste wijze is betekend;

c) indien in de zaak tussen dezelfde partijen, over hetzelfde onderwerp en op dezelfde grondslag, op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar de beslissing moet worden erkend en ten uitvoer gelegd, reeds eerder een in kracht van gewijsde gegane beslissing is gegeven, of indien er een erkende beslissing van een gerecht van een derde staat bestaat, dan wel indien door een instelling van deze Verdragsluitende Partij reeds eerder een procedure in deze zaak aanhangig is gemaakt;

d) indien, volgens de bepalingen van dit Verdrag, en in gevallen waarin dit Verdrag niet voorziet, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de beslissing moet worden erkend en ten uitvoer gelegd, de zaak tot de exclusieve bevoegdheid van haar instelling behoort;

e) indien het document ontbreekt dat de overeenkomst van partijen over de contractuele rechtsmacht bevestigt;

f) indien de verjaringstermijn voor gedwongen tenuitvoerlegging, zoals voorzien in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waarvan de rechter de opdrachten uitvoert, is verstreken.

Afdeling IV. RECHTSHULP EN RECHTSBETREKKINGEN IN STRAFZAKEN

Deel 1. Uitlevering

Artikel 56. Verplichting tot uitlevering

1. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich, overeenkomstig de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden, op verzoek aan elkaar personen uit te leveren die zich op hun grondgebied bevinden, voor strafrechtelijke vervolging of voor tenuitvoerlegging van een vonnis.

2. Uitlevering voor strafrechtelijke vervolging vindt plaats voor handelingen die volgens de wetten van de verzoekende en de aangezochte Overeenkomstsluitende Partijen strafbaar zijn en waarvoor een straf van vrijheidsbeneming voor een duur van ten minste één jaar of een zwaardere straf is voorzien.

3. Uitlevering voor tenuitvoerlegging van een vonnis vindt plaats voor handelingen die volgens de wetgeving van de verzoekende en de aangezochte Overeenkomstsluitende Partijen strafbaar zijn en waarvoor de persoon wiens uitlevering wordt verzocht, is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste zes maanden of tot een zwaardere straf.

Artikel 57. Weigering van uitlevering

1. Uitlevering vindt niet plaats, indien:

a) de persoon wiens uitlevering wordt verzocht, onderdaan is van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij;

b) op het moment van ontvangst van het verzoek de strafvervolging volgens de wetgeving van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij niet kan worden ingesteld of het vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd wegens verjaring of op een andere wettelijke grond;

c) ten aanzien van de persoon wiens uitlevering wordt verzocht, op het grondgebied van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij voor hetzelfde misdrijf een onherroepelijk geworden vonnis of beslissing tot beëindiging van de strafzaak is uitgesproken;

d) het misdrijf volgens de wetgeving van de verzoekende of de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij wordt vervolgd in de vorm van een klachtdelict (op aangifte van het slachtoffer).

2. Uitlevering kan worden geweigerd, indien het misdrijf waarvoor uitlevering wordt verzocht, op het grondgebied van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij is gepleegd.

3. In geval van weigering van uitlevering moet de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij op de hoogte worden gesteld van de gronden voor de weigering.

Artikel 58. Verzoek tot uitlevering

1. Het verzoek tot uitlevering moet de volgende gegevens bevatten:

a) de naam van de verzoekende en de aangezochte instanties;

b) een beschrijving van de feitelijke omstandigheden van het feit en de tekst van de wet van de verzoekende verdragsluitende partij op basis waarvan dit feit als een strafbaar feit wordt erkend, met vermelding van de door deze wet voorziene strafmaat;

c) de achternaam, voornaam en het patroniem van de persoon die moet worden uitgeleverd, zijn geboortejaar, nationaliteit, woon- of verblijfplaats, indien mogelijk – een beschrijving van het uiterlijk, een foto, vingerafdrukken en andere gegevens over zijn identiteit;

d) gegevens over de omvang van de schade veroorzaakt door het strafbare feit.

2. Bij het verzoek tot uitlevering voor strafvervolging moet een gewaarmerkt afschrift van de beschikking tot voorlopige hechtenis worden gevoegd.

3. Bij het verzoek tot uitlevering voor de tenuitvoerlegging van een vonnis moeten een gewaarmerkt afschrift van het vonnis met de aantekening van de inwerkingtreding ervan en de tekst van de bepaling van het strafrecht op basis waarvan de persoon is veroordeeld, worden gevoegd. Indien de veroordeelde reeds een deel van de straf heeft uitgezeten, worden ook gegevens hierover verstrekt.

4. Verzoeken tot uitlevering en de daarbij gevoegde documenten worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 17.

Artikel 59. Aanvullende gegevens

1. Indien het verzoek tot uitlevering niet alle benodigde gegevens bevat, kan de aangezochte verdragsluitende partij om aanvullende gegevens verzoeken, waarvoor een termijn van maximaal één maand wordt gesteld. Deze termijn kan op verzoek van de verzoekende verdragsluitende partij met nog maximaal één maand worden verlengd.

2. Indien de verzoekende verdragsluitende partij niet binnen de gestelde termijn aanvullende gegevens verstrekt, moet de aangezochte verdragsluitende partij de in hechtenis genomen persoon vrijlaten.

Artikel 60. Opsporing en in hechtenis nemen voor uitlevering

Na ontvangst van het verzoek tot uitlevering neemt de aangezochte verdragsluitende partij onmiddellijk maatregelen voor de opsporing en in hechtenisneming van de persoon wiens uitlevering wordt verlangd, behalve in gevallen waarin uitlevering niet kan worden verleend.

Artikel 61. In hechtenis nemen of aanhouden voordat het verzoek tot uitlevering wordt ontvangen

1. De persoon wiens uitlevering wordt gevraagd, kan op verzoek in voorlopige hechtenis worden genomen, ook voordat het uitleveringsverzoek is ontvangen. Het verzoek moet verwijzen naar de beschikking tot voorlopige hechtenis of naar een onherroepelijk geworden vonnis, en moet aangeven dat het uitleveringsverzoek later zal worden ingediend. Het verzoek tot voorlopige hechtenis voordat het uitleveringsverzoek is ontvangen, kan per post, telegram, telex of telefax worden verzonden.

2. Een persoon kan ook zonder het in lid 1 van dit artikel bedoelde verzoek worden aangehouden, indien er op grond van de wetgeving gegronde redenen zijn om te vermoeden dat hij op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij een strafbaar feit heeft gepleegd dat uitlevering tot gevolg heeft.

3. Van de voorlopige hechtenis of aanhouding voordat het uitleveringsverzoek is ontvangen, moet de andere Overeenkomstsluitende Partij onmiddellijk in kennis worden gesteld.

Artikel 61-1. Opsporing van een persoon voordat het uitleveringsverzoek is ontvangen

1. De Overeenkomstsluitende Partijen verrichten op verzoek de opsporing van een persoon voordat het verzoek om zijn uitlevering is ontvangen, indien er redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon zich op het grondgebied van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij kan bevinden.

2. Het verzoek tot het verrichten van opsporing wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 en moet een zo volledig mogelijke beschrijving van de opgespoorde persoon bevatten, samen met alle andere informatie die het mogelijk maakt zijn verblijfplaats vast te stellen, alsmede het verzoek om hem in voorlopige hechtenis te nemen, met de vermelding dat het verzoek om uitlevering van deze persoon zal worden ingediend.

3. Bij het verzoek tot het verrichten van opsporing wordt een gewaarmerkt afschrift gevoegd van de beslissing van de bevoegde autoriteit tot voorlopige hechtenis of van het onherroepelijk geworden vonnis, de gegevens over het niet-uitgezeten deel van de straf, alsmede een foto en vingerafdrukken (indien aanwezig).

4. Van de voorlopige hechtenis van de opgespoorde persoon of van andere resultaten van de opsporing wordt de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij onmiddellijk op de hoogte gesteld.

Artikel 61-2. Berekening van de duur van de voorlopige hechtenis

De tijd dat een persoon in voorarrest heeft doorgebracht, die in voorarrest is genomen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 60, 61, 61-1 van dit Verdrag, wordt in geval van uitlevering, in mindering gebracht op de totale duur van het voorarrest zoals voorzien in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij aan wie deze persoon is uitgeleverd.

Artikel 62. Invrijheidstelling van een aangehouden of in voorarrest genomen persoon

1. Een persoon die in voorarrest is genomen, overeenkomstig lid 1 van artikel 61 en artikel 61-1, moet worden vrijgelaten, indien een kennisgeving van de verzoekende Verdragsluitende Partij over de noodzaak tot vrijlating van deze persoon wordt ontvangen, of het verzoek tot uitlevering met alle daarbij gevoegde documenten, zoals voorzien in artikel 58, niet door de aangezochte Verdragsluitende Partij wordt ontvangen binnen veertig dagen na de datum van inbewaringstelling.

2. Een persoon die is aangehouden, overeenkomstig lid 2 van artikel 61, moet worden vrijgelaten, indien een verzoek om hem in voorarrest te nemen overeenkomstig lid 1 van artikel 61 niet wordt ontvangen binnen de termijn die door de wetgeving voor aanhouding is voorzien.

Artikel 63. Uitstel van uitlevering

Indien de persoon wiens uitlevering wordt verlangd, strafrechtelijk wordt vervolgd of is veroordeeld voor een ander misdrijf op het grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Partij, kan zijn uitlevering worden uitgesteld tot de beëindiging van de strafvervolging, de tenuitvoerlegging van het vonnis of tot de invrijheidstelling na straf.

Artikel 64. Voorlopige uitlevering

1. Indien het uitstel van uitlevering, zoals voorzien in artikel 63, kan leiden tot het verstrijken van de verjaringstermijn van de strafvervolging of schade kan toebrengen aan het onderzoek van het misdrijf, kan de persoon wiens uitlevering op verzoek wordt verlangd, voorlopig worden uitgeleverd.

2. De voorlopig uitgeleverde persoon moet worden teruggezonden na de uitvoering van de strafrechtelijke handeling waarvoor hij is uitgeleverd, maar uiterlijk binnen drie maanden na de datum van overdracht van de persoon. In gerechtvaardigde gevallen kan de termijn worden verlengd.

Artikel 65. Samenloop van uitleveringsverzoeken

Indien uitleveringsverzoeken van meerdere staten worden ontvangen, beslist de aangezochte Verdragsluitende Partij zelfstandig welk van deze verzoeken moet worden ingewilligd.

Artikel 66. Grenzen van de strafvervolging van de uitgeleverde persoon

1. Zonder toestemming van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij mag de overgedragen persoon niet strafrechtelijk worden vervolgd of worden bestraft voor een vóór zijn uitlevering gepleegd misdrijf waarvoor hij niet is uitgeleverd.

2. Zonder toestemming van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij mag de persoon evenmin aan een derde staat worden uitgeleverd.

3. De toestemming van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij is niet vereist indien de overgedragen persoon niet binnen één maand na beëindiging van de strafprocedure, en in geval van veroordeling niet binnen één maand na het uitzitten van de straf of het daarvan worden ontslagen, het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij verlaat, of indien hij daar vrijwillig terugkeert. In deze termijn wordt de tijd niet meegerekend gedurende welke de overgedragen persoon het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij niet kon verlaten.

Artikel 67. Overdracht van de uitgeleverde persoon

De aangezochte Overeenkomstsluitende Partij stelt de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij in kennis van de plaats en het tijdstip van uitlevering. Indien de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij de uit te leveren persoon niet binnen 15 dagen na de vastgestelde overdrachtsdatum in ontvangst neemt, wordt deze persoon uit hechtenis ontslagen.

Artikel 67-1. Opnieuw aanhouden of in hechtenis nemen

Het ontslag van een persoon overeenkomstig lid 2 van artikel 59, leden 1 en 2 van artikel 62 en artikel 67 belet niet dat hij opnieuw wordt aangehouden en in hechtenis wordt genomen met het oog op uitlevering van de gevraagde persoon in geval van een later ontvangen uitleveringsverzoek.

Artikel 68. Herhaalde uitlevering

Indien de overgedragen persoon zich aan de strafvervolging of het uitzitten van de straf onttrekt en terugkeert naar het grondgebied van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij, moet hij op een nieuw verzoek worden uitgeleverd zonder overlegging van de in de artikelen 58 en 59 bedoelde stukken.

Artikel 69. Kennisgeving van de resultaten van de strafprocedure

De Overeenkomstsluitende Partijen stellen elkaar in kennis van de resultaten van de strafprocedure tegen de aan hen overgedragen persoon. Op verzoek wordt ook een afschrift van de definitieve beslissing toegezonden.

Artikel 70. Doorvoer

1. Een Overeenkomstsluitende Partij staat, op verzoek van de andere Overeenkomstsluitende Partij, doorvoer over haar grondgebied toe van personen die aan de andere Overeenkomstsluitende Partij zijn uitgeleverd of tijdelijk door een derde staat zijn overgedragen.

2. Een verzoek om toestemming voor een dergelijk doorvoer wordt behandeld in dezelfde volgorde als een uitleveringsverzoek.

3. De aangezochte Overeenkomstsluitende Partij staat de doorvoer toe op de wijze die zij het meest geschikt acht.

Artikel 71. Kosten in verband met uitlevering en doorvoer

De kosten in verband met uitlevering of tijdelijke overdracht worden gedragen door de Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied zij zijn ontstaan, en de kosten in verband met doorvoer worden gedragen door de Overeenkomstsluitende Partij die om een dergelijk doorvoer heeft verzocht.

Deel 2. Uitoefening van strafvervolging

Artikel 72. Verplichting tot het uitoefenen van strafvervolging

1. Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe, in opdracht van de andere Overeenkomstsluitende Partij, overeenkomstig haar eigen wetgeving strafvervolging in te stellen tegen haar eigen burgers die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben begaan op het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij.

2. Indien het strafbare feit waarvoor de zaak is ingesteld, civielrechtelijke vorderingen met zich meebrengt van personen die schade hebben geleden door het strafbare feit, worden deze vorderingen, indien zij een verzoek tot schadevergoeding indienen, in deze zaak behandeld.

Artikel 73. Opdracht tot het uitoefenen van strafvervolging

1. De opdracht tot het uitoefenen van strafvervolging moet bevatten:

a) de naam van de verzoekende instantie;

b) een beschrijving van de handeling waarvoor de opdracht tot vervolging is gegeven;

c) een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het tijdstip en de plaats van het begaan van de handeling;

d) de tekst van de wetsbepaling van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij op grond waarvan de handeling als een strafbaar feit wordt beschouwd, alsmede de tekst van andere wettelijke bepalingen die van wezenlijk belang zijn voor de behandeling van de zaak;

e) de achternaam en voornaam van de verdachte, zijn nationaliteit, alsmede andere gegevens over zijn identiteit;

e) de verklaring van slachtoffers in strafzaken die worden ingesteld op aangifte van het slachtoffer, en verzoeken tot schadevergoeding;

g) de vermelding van de omvang van de door het misdrijf veroorzaakte schade.

Bij het verzoek worden de bij de verzoekende Verdragsluitende Partij beschikbare stukken van de strafvervolging, alsmede het bewijsmateriaal, gevoegd.

2. Bij toezending van een aanhangig gemaakte strafzaak door de verzoekende Verdragsluitende Partij wordt het onderzoek in deze zaak voortgezet door de aangezochte Verdragsluitende Partij overeenkomstig haar eigen wetgeving. Elk van de in de zaak aanwezige documenten moet worden gewaarmerkt met het zegel van de bevoegde justitiële instantie van de verzoekende Verdragsluitende Partij.

3. Het verzoek en de daarbij gevoegde documenten worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 18.

4. Indien de verdachte op het moment van toezending van het verzoek tot strafvervolging in voorlopige hechtenis verblijft op het grondgebied van de verzoekende Verdragsluitende Partij, wordt hij overgebracht naar het grondgebied van de aangezochte Verdragsluitende Partij.

Artikel 74. Kennisgeving van de resultaten van de strafvervolging

De aangezochte Verdragsluitende Partij is verplicht de verzoekende Verdragsluitende Partij in kennis te stellen van de definitieve beslissing. Op verzoek van de verzoekende Verdragsluitende Partij wordt een afschrift van de definitieve beslissing toegezonden.

Artikel 75. Gevolgen van het nemen van een beslissing

Indien aan een Verdragsluitende Partij overeenkomstig artikel 72 een verzoek tot strafvervolging is toegezonden nadat een vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of een andere definitieve beslissing door een instantie van de aangezochte Verdragsluitende Partij is genomen, kan de strafzaak niet worden ingesteld door de instanties van de verzoekende Verdragsluitende Partij, en een door hen ingestelde zaak wordt niet beëindigd.

Artikel 76. Verzachtende of verzwarende omstandigheden

Elk van de Verdragsluitende Partijen houdt bij het onderzoek van misdrijven en de behandeling van strafzaken door de rechtbanken rekening met de in de wetgeving van de Verdragsluitende Partijen voorziene verzachtende omstandigheden, ongeacht op het grondgebied van welke Verdragsluitende Partij deze zijn ontstaan.

Artikel 76-1. Erkenning van vonnissen

Bij het oplossen van kwesties betreffende de erkenning van een persoon als bijzonder gevaarlijke recidivist, het vaststellen van feiten van herhaaldelijk plegen van een strafbaar feit en schending van verplichtingen in verband met voorwaardelijke veroordeling, uitstel van tenuitvoerlegging van het vonnis of voorwaardelijke invrijheidstelling, kunnen de justitiële instellingen van de Overeenkomstsluitende Partijen vonnissen erkennen en in aanmerking nemen die zijn uitgesproken door de rechtbanken (tribunalen) van de voormalige USSR en de daartoe behorende unierepublieken, evenals door de rechtbanken van de Overeenkomstsluitende Partijen.

Artikel 77. Procedure voor de behandeling van zaken die onder de bevoegdheid vallen van de rechtbanken van twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen

Bij beschuldiging van één persoon of een groep personen van het plegen van meerdere strafbare feiten, waarvan de zaken onder de bevoegdheid vallen van de rechtbanken van twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen, is de rechtbank van die Overeenkomstsluitende Partij op wiens grondgebied het vooronderzoek is afgerond, bevoegd deze te behandelen. In dit geval wordt de zaak behandeld volgens de procedureregels van deze Overeenkomstsluitende Partij.

Deel 3. Bijzondere bepalingen inzake rechtshulp en rechtsbetrekkingen in strafzaken

Artikel 78. Overdracht van voorwerpen

1. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe elkaar op verzoek over te dragen:

a) voorwerpen die zijn gebruikt bij het plegen van een strafbaar feit dat uitlevering van een persoon overeenkomstig dit Verdrag met zich meebrengt, met inbegrip van de instrumenten van het strafbare feit; voorwerpen die zijn verkregen als gevolg van het strafbare feit of als beloning daarvoor, of voorwerpen die de dader heeft ontvangen in ruil voor de op deze wijze verkregen voorwerpen;

b) voorwerpen die van belang kunnen zijn als bewijs in een strafzaak; deze voorwerpen worden ook overgedragen indien de uitlevering van de dader niet kan worden uitgevoerd wegens zijn overlijden, vlucht of andere omstandigheden.

2. Indien de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij de in het eerste lid van dit artikel bedoelde voorwerpen nodig heeft als bewijs in een strafzaak, kan de overdracht ervan worden uitgesteld tot de beëindiging van de procedure in de zaak.

3. De rechten van derden op de overgedragen voorwerpen blijven van kracht. Na beëindiging van de procedure in de zaak moeten deze voorwerpen kosteloos worden teruggegeven aan de Overeenkomstsluitende Partij die ze heeft overgedragen.

Artikel 78-1. Tijdelijke overbrenging van een persoon die in voorarrest zit of een vrijheidsstraf uitzit

1. Indien het nodig is om een persoon die in voorarrest zit of een vrijheidsstraf uitzit op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij te horen als getuige of benadeelde, of om een andere onderzoekshandeling met zijn deelname uit te voeren, kan deze persoon, ongeacht zijn nationaliteit, op een gemotiveerd verzoek van de belanghebbende Overeenkomstsluitende Partij, bij beslissing van de Procureur-Generaal (Procureur) van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij tijdelijk worden overgebracht, onder voorwaarde dat hij in voorarrest blijft en binnen de vastgestelde termijn wordt teruggezonden.

2. Het verzoek tot tijdelijke overbrenging van de in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 en moet tevens de termijn vermelden gedurende welke de aanwezigheid van deze persoon op het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij vereist is.

3. Tijdelijke overbrenging van de in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon vindt niet plaats:

a) indien zijn toestemming voor een dergelijke overbrenging niet is verkregen;

b) in geval van noodzaak van zijn aanwezigheid bij het vooronderzoek of de gerechtelijke behandeling op het grondgebied van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij;

c) indien een dergelijke overbrenging kan leiden tot schending van de vastgestelde termijnen van voorarrest of het uitzitten van de vrijheidsstraf door deze persoon.

4. Op de in lid 1 van dit artikel bedoelde persoon zijn de waarborgen van toepassing zoals voorzien in lid 1 van artikel 9.

Artikel 79. Kennisgeving van veroordelende vonnissen en gegevens over strafbladen

1. Elk van de Overeenkomstsluitende Partijen zal jaarlijks aan de andere Overeenkomstsluitende Partijen gegevens verstrekken over de in kracht van gewijsde gegane veroordelende vonnissen die door haar gerechten zijn uitgesproken tegen onderdanen van de desbetreffende Overeenkomstsluitende Partij, en tegelijkertijd de beschikbare vingerafdrukken van de veroordeelden toezenden.

2. Elk van de Overeenkomstsluitende Partijen verstrekt de andere Overeenkomstsluitende Partijen op hun verzoek kosteloos gegevens over het strafblad van personen die eerder door haar gerechten zijn veroordeeld, indien deze personen strafrechtelijk worden vervolgd op het grondgebied van de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 80. Bijzondere regeling voor communicatie

Communicatie over uitlevering en strafvervolging vindt plaats tussen de procureurs-generaal (aanklagers) van de Overeenkomstsluitende Partijen.

Communicatie over de uitvoering van proceshandelingen en andere handelingen die de toestemming van de aanklager (rechtbank) vereisen, vindt plaats via de organen van het openbaar ministerie volgens de procedure die is vastgesteld door de procureurs-generaal (aanklagers) van de Overeenkomstsluitende Partijen.

AFDELING V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 81. Vragen over de toepassing van dit Verdrag

Vragen die rijzen bij de toepassing van dit Verdrag worden door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen in onderlinge overeenstemming opgelost.

Artikel 82. Verhouding van het Verdrag tot internationale verdragen

Dit Verdrag laat de bepalingen van andere internationale verdragen waarbij de Overeenkomstsluitende Partijen partij zijn, onverlet.

Artikel 83. Wijze van inwerkingtreding

1. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd door de staten die het hebben ondertekend. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Regering van de Republiek Belarus, die fungeert als depositaris van dit Verdrag.

2. Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag, te rekenen vanaf de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging bij de depositaris. Voor een staat waarvan de akte van bekrachtiging na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij de depositaris wordt nedergelegd, treedt het in werking op de dertigste dag, te rekenen vanaf de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging bij de depositaris.

Artikel 84. Geldigheidsduur van het Verdrag

1. Dit Verdrag is van kracht voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding. Na het verstrijken van deze termijn wordt het Verdrag telkens automatisch verlengd met een nieuwe periode van vijf jaar.

2. Elke Overeenkomstsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door hiervan schriftelijk kennis te geven aan de depositaris, ten minste 12 maanden voor het verstrijken van de lopende vijfjarige geldigheidsduur.

Artikel 85. Werking in de tijd

De werking van dit Verdrag strekt zich ook uit tot rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding ervan.

Artikel 86. Wijze van toetreding tot het Verdrag

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kunnen andere staten, met instemming van alle Verdragsluitende Partijen, toetreden door middel van het deponeren van akten van toetreding bij de depositaris. De toetreding wordt van kracht na het verstrijken van dertig dagen vanaf de datum waarop de depositaris de laatste kennisgeving van instemming met deze toetreding heeft ontvangen.

Artikel 87. Verplichtingen van de depositaris

De depositaris stelt onverwijld alle staten die dit Verdrag hebben ondertekend en ertoe zijn toegetreden in kennis van de datum van nederlegging van elke bekrachtigingsakte of akte van toetreding, de datum van inwerkingtreding van het Verdrag, alsmede van de ontvangst van andere kennisgevingen.

Gedaan in de stad Minsk op 22 januari 1993 in één oorspronkelijk exemplaar in de Russische taal. Het oorspronkelijke exemplaar wordt bewaard in het Archief van de Regering van de Republiek Belarus, dat een gewaarmerkt afschrift ervan zal toezenden aan de staten die partij zijn bij dit Verdrag.

Voor de Republiek Armenië

Voor de Republiek Belarus

Voor de Republiek Kazachstan

Voor de Republiek Kirgizië

Voor de Republiek Moldavië

Voor de Russische Federatie

Voor de Republiek Tadzjikistan

Voor Turkmenistan

Voor de Republiek Oezbekistan

Voor Oekraïne